Er zit een knik in mijn pen

21. jun, 2018

Enkele uren na de hectiek van de presentatie werd het prachtig stil in mijn hoofd. Dagenlang ontging mij alles, ik verbleef geruisloos in mijn gewatteerde schedel, waarin nog maar weinig anders omging dan een gefluisterd ‘Aaah, ik heb het gehaald,’ en ‘Wat was het mooi.’ Anderen moesten mij vertellen dat de wereld daarbuiten gewoon doorwentelde. Ik ben voor mijn doen nog steeds stil. 

Maar onder de indruk zijn, heeft grenzen; ik zie aan mijn mail dat ik weer door moet. Morgen draag ik gedichten voor op het Festival Sunsation in Lelystad. Ik zal een pakketje vrolijke gedichten samenstellen.

Woensdag mag ik mijn Middeleeuwenbundel pitchen in Barts Boekenclub, de literaire talkshow in het Betty Asfalt Complex in Amsterdam. Dat lijkt me zo leuk! Ik ga erheen met mijn lieve Ruth en met Rik, de Uitgever van Historische Verhalen, maar iedereen is daar welkom. De zaal mag gerust uit zijn voegen barsten.

Jan van Aken (De Ommegang) is daar te zien en te beluisteren en Annejet van der Zijl samen met Jo Simons (De val van Annika S.) Zo dan!

Tot zover de rust. De knik in mijn pen wenkt, ik moet gaan. Misschien zien we elkaar op de 22e in Lelystad of de 27e in Amsterdam.

 

15. jun, 2018

Gezichten van geliefden en vrienden hebben een speciaal hoekje in je geheugen, je herkent ze altijd en overal. Bij sommige autisten ligt dat anders, bij mij bijvoorbeeld. Ik herken een gezicht alleen in een voor mij passende omgeving.

Ik heb ooit een halve hockeywedstrijd naar het verkeerde veld met blonde meisjes in een groen tenue staan kijken. Als ik het me goed herinner, heb ik ook nog aansporingen geroepen. Ik vergeet wel gezichten, maar niet de spottende blik van mijn dochter in de rust van die wedstrijd.

Een buurvrouw die al jaren naast ons woonde, kwam eens bij ons aan de deur. Staande in de deuropening draaide ik mij om naar mijn echtgenote en fluisterde: ‘Wie is die vrouw?’

Een collega met wie ik een half jaar lang leuk had samengewerkt, kwam mij tegen op straat en begon enthousiast herinneringen op te halen aan onze tijd in de verpleging. Ik lachte vrolijk mee en beaamde alles wat hij zei, maar al sloeg je me dood, ik had geen idee wie hij was.

Misschien maak je uit bovenstaande op dat ik onverschillig ben voor de wereld. Dat is niet zo, ik ben juist heel verschillig. Ik herken mijn dochter altijd aan de ontbijttafel, mijn buurvrouw in haar eigen tuin en mijn collega op de afdeling waar hij thuishoort. Maar echt, zonder die context ben ik nergens.

Dus als ik jou morgen bij de presentatie van mijn Middeleeuwenbundel, vriendelijk maar wazig aankijk, vergeef mij dan, ik kan niet anders.

 

10. jun, 2018

Tijdens mijn boekpresentatie staan er een paar oude vrienden voor de tafel waaraan ik zit te signeren. Ze houden me mijn boek voor en knikken bemoedigend. Ik glimlach en pak mijn pen.

Dan vouwt zich een fatale flard nevel om mijn brein. Verward zet ik mijn bril af en kijk mijn bezoekers aan. ‘Hoe heet je?’ stamel ik. Het volgende ogenblik ben ik zelfs mijn eigen naam vergeten.

Met hulpbehoevende blikken zoek ik mijn vrouw. Ze merkt het niet op, ze schenkt een kop koffie in voor een van de gasten. Mijn uitgever dan maar. Nee, die ook niet, hij staat net een journalist te woord. Midden tussen de genodigden ben ik alleen.

Ik krijg het koud en begin weg te zinken. Ik weet niet of er een kelder is onder de galerie waar de presentatie plaats vindt, maar waar ik terecht kom, is het donker en klam.

Iemand legt een nat doekje over mijn voorhoofd en roept mijn naam. Gelukkig, nu weet ik weer hoe ik heet. De kortsluiting begint te wijken. Vrienden helpen mij voorzichtig overeind. Ik kijk hen aan en durf niet meer naar hun naam te vragen.

Dit is wat ik vannacht droomde. Ik had gedacht dat ik cool zou blijven in de aanloop naar mijn boekpresentatie. Ik kijk eens in de spiegel. Ja, ik zie er kalm uit, maar ik vertrouw mijn zenuwen niet meer.

31. mei, 2018

(9)

Over twee weken – om precies te zijn op 16 juni – komt mijn Middeleeuwenbundel uit. Historische fictie over mijn favoriete historische tijdperk. Is het alweer twee jaar geleden dat ik mijn verhaallijnen voorlegde aan de uitgever? Tijd is niets, je denkt er een kist vol van te hebben, maar onder het deksel is het donker. Schrijvers kennen dat wel, knipper eens met je ogen en plotseling zit je vlak voor de presentatiedatum.

Voor dit boek zit het erop, al het schrijfwerk, de redactie, het herschrijven, het nalopen en nog eens nalopen. Maar het uithijgen kan nog niet beginnen, we zitten nu midden in de promotiefase en die fase gaat na de publicatie nog lang door.

Gelukkig voor mij ben ik nogal een babbel. Of dat ook zo gelukkig is voor anderen laat ik even in het midden. Vorige week had ik een voorbereidend gesprek dat maar liefst drie uur in beslag nam. Dat komt door mijn enthousiasme en mijn gebrek aan remming. Wie mij een vraag stelt over een historische gebeurtenis, krijgt die geschiedenis in den brede voorgeschoteld.

Mijn vrouw kan allerliefst naar mij lachen als ik weer eens midden in een betoog ben. Ik begin dan net lekker op dreef te komen, maar haar vrolijke blik verraadt: ‘Lieverd, je bent al drie kwartier aan het woord. Wil je een kopje koffie?’

24. mei, 2018

(8)

Een mens kan doorschieten in het lollige, maar hij kan ook te serieus worden. Dat geldt in hoge mate voor mij. Ik ben een zwart-wit mens. Het is het een of het ander, maar nou nooit eens lekker iets in het midden.

‘Jij wordt nooit een goede ambtenaar,’ zei iemand eens tegen mij. Nou, ‘iemand’ had het goed gezien. Als inspecteur merkte ik dat je in het ambtelijk paradijs van de rijksoverheid niet onbekommerd van alles kunt opschrijven. Dat was jammer, want puur bekommerd verslagleggen bleek niet aan mij besteed. Toen ik dat probeerde, hakte ik in mijn rapporten woest in op de matige uitvoering van het beleid.

Mijn stijl was betrokken, zoals gewenst, maar ook meedogenloos. Ik zag misstanden in de bureaucratie en ik stuurde aan op rollende koppen. In mijn onschuld dacht ik werkelijk dat mijn teksten de Staatscourant zouden halen.

De baas probeerde mij voorzichtig te vertellen dat mijn klare taal wat minder klaar mocht zijn. Ik nukte en koesterde de gewraakte passages, het rijk mokte en publiceerde niets.

Het was duidelijk dat het ambt en mijn verknochtheid aan eigen woordkeuze onverenigbaar waren. Wegens duurzame ontwrichting van de culturele verhoudingen ben ik toen maar iets leukers gaan doen.