Er zit een knik in mijn pen

16. aug, 2018

‘Salaris is een sieraad dat je niet even kunt afdoen om het weg te leggen in een juwelenkistje. Erger nog, het maandelijks inkomen voelt aan als een kroon die wordt gedragen met de punten naar beneden.’ Dit soort overdenkingen beklemden mij als ik aan het eind van een werkdag op de bushalte stond. Moedeloos hing ik tegen de abri en staarde naar de aura van de kantoorkolos tegenover mij. Ik moest nog vijftien jaar.

‘Dan neem je toch ontslag? Ga je lekker iets anders doen?’

Toen ik jong was en geen gezin hoefde te onderhouden, vond ik dat een voor de hand liggende optie. Bevalt het ergens niet? Wegwezen, werkgevers genoeg. Maar boven de vijftig is het een ander verhaal, een verhaal met een stoffig plot. Ik was te rijk, het salaris was te goed en het wegvallen ervan zou, zo vreesde ik, mijn gezin in het verderf storten. De arbeidsmarkt voor vijftigplussers is er een van uitverkoop en winkeldochters, altijd geweest.

Zitten blijven dus. Zitten blijven wegens gebrek aan veerkracht en zelfvertrouwen. Waaraan herken je een oudere werknemer? Aan de verzakte houding, aan de gebroken blik.

Mijn vrouw hield mij drijvende. Ze mailde me dagelijks een gedicht van Kees Stip. Als de tekst op mijn beeldscherm verscheen, lichtte het kantoorgrijs  op. Wat was ik blij met: ‘Een ijsbeer beerde zoveel ijs, dat het ging vriezen in Parijs.’ Ruth en Kees, het gaat inmiddels heel goed met mij. Mag ik jullie hartelijk danken?

 

 

9. aug, 2018

 

Je kent dat wel, een onvervuld verlangen, iets dat je altijd hebt willen doen, iets dat er nooit van is gekomen. Ik heb geprobeerd dat gevoel te vangen in het gedicht ‘Mongolië’. De hoofdpersoon wil weg, ver weg.  Maar het gaat niet. Het leven houdt hem vast en hij mag pas vertrekken als hij dood is.

Volgende maand wordt in Apeldoorn mijn dichtbundel ‘Kameel naar het oosten’ gepresenteerd. De titel verwijst naar bovengenoemd stukje poëzie. Dat boekje bevat nog meer bespiegelingen, maar er staat ook genoeg vrolijke kost in, hoor.

Dat zeg ik nou wel zo gemakkelijk ‘mijn dichtbundel’, maar dat ding is helemaal niet van mij. Of niet helemaal van mij, dat kan ook. De helft van het boekje komt voor rekening van mijn kunstzinnige echtgenote, Ruth Manenschijn, zij verzorgde de illustraties. Op een dag in januari zei ik tegen haar: ‘Laten we een bundel uitbrengen.’

Even was ze stil, toen vroeg ze voorzichtig: ‘Echt?’

‘Ja echt, een dichtbundel met illustraties.’

‘Leuk, wanneer moet hij klaar zijn?’

‘Je hebt nog twee maanden.’

‘Eh …’

Moet ik het hier hebben over de stress die een bijproduct is van de samenwerking tussen echtelieden? Toen we aan de coproductie begonnen, waren mijn gedichten allang af. Ik hoefde dus, in mijn ogen, niets meer te doen en ik wilde met mijn hoofd onder de deken blijven liggen. Eigenlijk ben ik een moeilijk mens.

Ruth had het er maar druk mee. Eerst heeft ze zich een slag in de rondte gewerkt met het teken- en schilderwerk en daarna onderhield ze ook nog heel geduldig alle contacten met de vormgever.

Mijn vrouw is mijn reisleidster, we zitten samen op een kameel en zij weet de weg naar het oosten.

 

 

2. aug, 2018

Facebook verwijdert naakte vrouw niet.’ Is dit een slechte krantenkop? Nee, het is een uiting van verwarring over het algoritme van onze dierbare social-media-vader.

Een jaar geleden plaatste ik een gedicht met daarbij de afbeelding van een paar enorme blote billen. Het was een beschouwelijk stukje over de vraag ‘Stel dat onze werkelijkheid heel anders is dan we vermoeden en ook veel omvangrijker?’ Ik had dat idee verpakt in een metafoor over reuzenbillen.

     stel dat alles wat ik om mij heen zie

     een lichaamscel is in de bil van een reus …

De bijbehorende billenafbeelding had ik gehaald van een eeuwenoud schilderij uit de collectie van het Rijksmuseum. Facebook kon er niet om lachen. Ook een culturele blote kont kon niet door de beugel. De afbeelding werd verwijderd en ik werd vermaand.

Enige tijd later werd een plaatje van een fles tomatenketchup, leeglopend onder een gehurkt zittende vrouw, verwijderd. Althans in sommige groepen, in andere bleef het gewoon staan. Over het gedicht bij de afbeelding – dat qua beeldende kracht niets te fantaseren overliet – sprak Facebook niet.

Eergisteren publiceerde ik een filosofisch mijmergedicht over een thema uit de scholastiek – dat is een soort middeleeuwse logica. Daarbij plaatste ik een vijfhonderd jaar oude gravure die een gevleugelde naakte vrouw uitbeeldt. En wat denk je? Het gedicht staat er nog steeds, met plaatje en al. De wereld is veranderd, vaders algoritme is kapot.

 

 

 

26. jul, 2018

Het was alsof ik droomde. Ons vliegtuigje was een lawaaiig ding, maar het geluid drong niet meer tot me door. Ik staarde uit het raampje en zag dat we recht op een heuvel af vlogen. Oerwoud en papegaaien verdwenen uit mijn bewustzijn, alleen die heuvel was daar nog, gehuld in steeds dunner wordende mistflarden.

Mijn angst kreeg gezelschap, passagiers rondom mij begonnen te gillen en wezen geagiteerd naar de raampjes. Iedereen was ervan doordrongen dat wij weldra één zouden worden met de jungle.

Nou ja, bijna iedereen. De piloten keken op van hun wegenkaart en zagen de onregelmatigheid in het landschap. Ik moet zeggen: ze reageerden flitsend. Met een scherpe bocht naar linksboven probeerden ze de heuvel te ontwijken. Het stall alarm ging af. Dat wil zeggen dat het vliegtuig niet meer voldoende door de lucht gedragen werd en begon te vallen.

Hoe weet ik niet, maar de mannen achter de stuurknuppel kregen onze dartele hommel weer onder controle. We vlogen vlak langs de heuveltop en gleden daarna weer verder over de laaghangende bewolking.

Ik zat verstijfd in mijn stoeltje. Met beide handen greep ik het buizenframe van het meubel vast en bad: ‘Laten ze teruggaan, laten ze in Godsnaam teruggaan naar het vliegveld.’

Ergens boven ons moet iemand aandachtig hebben geluisterd. Na enkele minuten draaide een van de piloten zich naar ons om en riep monter: ‘Dames en heren, door de mist boven het oerwoud kunnen we de landingsplaats niet vinden. Maar niet getreurd, we vliegen nu terug en vanmiddag bent u weer van harte welkom, want dan proberen we het nog een keer.’

Die middag had de hommel een passagier minder.

 

 

19. jul, 2018

Vliegtuigen en heuvels gaan niet goed samen, dat is bekend. De eersten gaan te snel, de laatsten bewegen te weinig.

Voor een vlucht boven het tropisch regenwoud waren we opgestegen van een vliegveldje dat was opgesierd met de naam ‘Zorg en Hoop’. Ik vond dat een beklemmende aanduiding voor een luchthaven. Voor mijn gemoedsrust hielp het ook niet dat aan het eind van de startbaan een hek stond, daarachter lag een verkeersweg. Stoplichten garandeerden de veiligheid.

Ons vliegtuigje was eigenlijk meer een dartele hommel, net iets groter, maar met dezelfde behaaglijke vliegeigenschappen. Binnenin het toestel was het comfort passend: piloten en passagiers zaten in één ruimte. Vanuit onze Deux Chevaux-stoeltjes konden we de verrichtingen van de gezagvoerder en zijn compagnon goed volgen.

De bedoeling was dat we zouden landen op een eilandje in een rivier, maar boven het oerwoud hing een dichte ochtendmist, daardoor konden de piloten dat eiland niet vinden. Niet helemaal op mijn gemak keek ik naar buiten. De boomkruinen, niet ver onder mij, grijnsden. Tussen de nevelflarden zag ik ara’s vliegen, mooie en fascinerende beesten.

Toen ik mijn blik weer op de twee piloten richtte, merkte ik dat zij geen belangstelling hadden voor de tropische flora en fauna. Ik moest vrezen dat ook onze vlieghoogte hen ontging. De twee vliegeniers bogen zich juist over een wegenkaart en bespraken, rustig plaatsen op die kaart aanwijzend, hun opties. Een van die opties bleek een heuvel te zijn die vanuit de mist opdoemde en met een rotvaart op ons afkwam.