9. aug, 2018

(19)

 

Je kent dat wel, een onvervuld verlangen, iets dat je altijd hebt willen doen, iets dat er nooit van is gekomen. Ik heb geprobeerd dat gevoel te vangen in het gedicht ‘Mongolië’. De hoofdpersoon wil weg, ver weg.  Maar het gaat niet. Het leven houdt hem vast en hij mag pas vertrekken als hij dood is.

Volgende maand wordt in Apeldoorn mijn dichtbundel ‘Kameel naar het oosten’ gepresenteerd. De titel verwijst naar bovengenoemd stukje poëzie. Dat boekje bevat nog meer bespiegelingen, maar er staat ook genoeg vrolijke kost in, hoor.

Dat zeg ik nou wel zo gemakkelijk ‘mijn dichtbundel’, maar dat ding is helemaal niet van mij. Of niet helemaal van mij, dat kan ook. De helft van het boekje komt voor rekening van mijn kunstzinnige echtgenote, Ruth Manenschijn, zij verzorgde de illustraties. Op een dag in januari zei ik tegen haar: ‘Laten we een bundel uitbrengen.’

Even was ze stil, toen vroeg ze voorzichtig: ‘Echt?’

‘Ja echt, een dichtbundel met illustraties.’

‘Leuk, wanneer moet hij klaar zijn?’

‘Je hebt nog twee maanden.’

‘Eh …’

Moet ik het hier hebben over de stress die een bijproduct is van de samenwerking tussen echtelieden? Toen we aan de coproductie begonnen, waren mijn gedichten allang af. Ik hoefde dus, in mijn ogen, niets meer te doen en ik wilde met mijn hoofd onder de deken blijven liggen. Eigenlijk ben ik een moeilijk mens.

Ruth had het er maar druk mee. Eerst heeft ze zich een slag in de rondte gewerkt met het teken- en schilderwerk en daarna onderhield ze ook nog heel geduldig alle contacten met de vormgever.

Mijn vrouw is mijn reisleidster, we zitten samen op een kameel en zij weet de weg naar het oosten.