29. aug, 2018

(22)

Goedendag, ik ben een poëet, een vreselijke poëet. Zo eentje die maling heeft aan letterwetten, aan regels die een stuk tekst drillen tot een betamelijk gedicht. Ik voel me benauwd bij voorschriften over het aantal strofen en syllaben. Akelig word ik van een rijmschema of metrum dat deint als de golfslag in het Sportfondsenbad. Mijn balsturig wezen verzet zich tegen het idee dat een vers - of een bepaald onderdeel daarvan - een verplichte betekenis zou moeten hebben. Van mij mag het allemaal, maar het moet niet.

Vormvastheid en kunst zijn geen familie van elkaar. Een gedicht dat je van achteren naar voren kunt lezen of dat precies uit zeventien lettergrepen bestaat, een tekst die alleen sonnet mag heten als je niet hebt gezondigd tegen het vereiste plan, is dat kunst? Ik noem het een kunstje.

Weet ik dan hoe het moet? Kan ik vertellen wat kunst is? Nee, natuurlijk niet, dat kan niemand. Maar dit weet ik wel: laatst stond ik voor een venster dat uitzag op een wei, een wei vol licht en bloemen. Ik was ontroerd maar mijn woorden klonken dof, te zware stappen op een bemost pad. Die woorden heb ik laten vervliegen tot ze waren verdampt. Toen was het stil. Ik keek alleen maar en dacht niet. Voor mij was dat een gedicht.