De Gil

Wenen, 1898

Noem me dwangmatig, noem me familieziek. Beide benamingen zijn op mij van toepassing. Van alle krankzinnigheid in onze familie zijn mijn afwijkingen nog het minst kwaadaardig. Mijn neurose dwingt mij ertoe ieder jaar al mijn familieleden te bezoeken. Alleen zo kan ik het kwaad van mij weghouden. Alleen zo kan ik opname in een kliniek voorkomen.

Het was laat in november in het jaar 1898. Aangezien ik mijn bezoeken in alfabetische volgorde afleg was mijn nicht Amelie Windisch-Stahremburg aan de beurt. Zij woonde gelukkig niet ver weg, in Simmering, sinds kort een buitenwijk in het Zuidoosten van Wenen. Met een rijtuig was het niet meer dan een uur gaans.

Op die bewuste dag was het somber weer, stille motregen miezerde al de hele middag uit een loodgrijze lucht. De bomen langs de weg hieven hun druipende kale takken, alsof ze in moedeloosheid hun armen zachtjes heen en weer wiegden. Een passende ambiance voor een bezoek aan mijn nicht Amelie.

Liever had ik een familielid met een wat opgeruimder karakter bezocht. Bij mijn bezoeken trof ik Amelie ieder jaar bleker, breekbaarder en meer kwijnend aan. Ze was nog jong; zwartgalligheid is eigenlijk iets voor oudere, bittere mensen. Maar ondanks haar jeugdige leeftijd was Amelie toch al enigszins theatraal, zwaarmoedig van aard. Familietrouw maakt het me moeilijk de juiste woorden voor haar karakter te vinden. Ik verontschuldig mij er dan ook voor dat ik haar eigenlijk gewoon hysterisch vond.

 

Terwijl mijn bordeauxrode coupé in de late namiddag in Simmering arriveerde snelden mijn gedachten al vooruit naar de geplande visite. Ik wilde niet te negatief over mijn nicht denken, dat zou het bezoek alleen maar stroever laten verlopen. Tot haar verdediging voerde ik voor mijzelf aan dat zij enige jaren geleden haar echtgenoot had verloren. Een tragisch ongeluk, een val van de keldertrap, toen hij, te gehaast, de gewelven onder het huis had willen verlaten.

De geestelijk toch al breekbare Amelie was die klap nooit helemaal te boven gekomen. Ze bleef rouwen, ook toen de voorgeschreven tijd voor treurnis ruim verstreken was. De eenzaamheid viel haar zwaar. Niet dat ze totaal alleen was in het grote huis, ze had een zoontje van acht jaar oud, Duchli, een verwend jochie zonder enig talent. Ach hoe gaat dat? Enig kind en opgevoed door alleen de moeder; moet ik nog meer zeggen? 

Natuurlijk was er altijd de aanwezigheid van personeel, maar ons soort mensen zoekt niet het gezelschap van bedienden, en ook putten wij geen troost uit hun tegenwoordigheid. Dus waren de avonden, die lange sombere avonden, zonder de vertrouwde steun van een echtgenoot, een kwelling voor mijn nicht. 

Villa Windisch rees voor mij op in soort dreigende schoonheid. De, hier en daar met klimop begroeide, marmerwitte muren weerkaatsten een schemerig laat middaglicht. Het gebouw, vierkant en wel drie verdiepingen hoog, leek ongenaakbaar voor een verregende reiziger. Moeizaam, ik ben niet zo jong meer, beklom ik het bordes met zijn grijze granieten balustrade. Nog voor ik de grote bronzen deurklopper op de plaat kon laten vallen ging de deur van huize Windisch open. Een kleine, kalende man met een doktersvalies kwam naar buiten. Hij groette mij minzaam in het voorbijgaan.

‘Ach ja,’ mijmerde ik, ’de dokter’. De dokter en zijn flessen met opiaten. Iedere keer als nicht Amelie een aanval had van nervositeit, en dat was bijna wekelijks, werd de dokter erbij gehaald. Hoe geleerd hij ook was, de arts kon niet veel voor Amelie doen. Na iedere visite liet hij een flesje laudanum achter, waarmee mijn nicht haar overspannen zenuwen moest zien te sederen.  Enerzijds werd ze er inderdaad kalmer van, anderzijds schijnt het dat zij, door overmatig gebruik van het bitter smakende drankje, vreemde ervaringen kreeg. Ervaringen waarover ik liever niet spreek. Laat ik volstaan te zeggen dat zij zaken hoorde en zag die een ander niet kon waarnemen.

 

In de hal van het statige pand werd ik door mijn nicht allervriendelijkst welkom geheten. Ze oogde, in haar zwarte dagkleed, bleek en afgemat. Vermoedelijk vond haar geest nog steeds niet de rust waaraan ze zo’n behoefte had. Rond de theetafel, in de salon, zag Amelie toch kans de conversatie, op een acceptabel niveau, gaande te houden. Een goede opvoeding verloochent zich niet. We babbelden over luchtige zaken. Uit de aangrenzende muziekkamer klonk pianospel. “Mijn zoon Duchli, heeft pianoles.” vertelde Amelie. Een glimlachje fleurde haar bleke gezicht op.

“Ach, wat aardig,” repliceerde ik, “hij speelt de marche funebre van Chopin. En zo te horen doet de jongen dat niet onverdienstelijk.”

“Nee oom, dat is de leraar, die u hoort.” lachte de gevleide moeder. “Kent u Hugo Wolf, de componist? Een wat vreemde man, maar een goed musicus; hij geeft mijn Duchli les.”

Het welluidende pianospel van de heer Wolf maakte plaats voor enig gestuntel aan de piano. Kennelijk was nu Duchli aan de beurt om het stuk te spelen. Dat duurde maar kort. Het muzikaal gehaspel werd onderbroken door een manier van pianospelen, die ik nog nooit eerder had gehoord. Het woord fortissimo beschrijft onvoldoende het gedonder en geraas dat uit de muziekkamer tot ons kwam. Op zijn beurt brak deze orkaan van geluid even plotseling af als hij was begonnen, om plaats te maken voor een hoge, ijle gil.

Een ogenblik verstijfde nicht Amelie, toen sprong ze op, greep haar rokken bij elkaar en rende zo snel een dame zich maar kan permitteren door de salon, naar de muziekkamer. Ze wierp de deur open en haar ontstelde: “Wat is hier aan de hand?” bestierf haar op de lippen. Op slechts twee meter afstand stond de muziekleraar met in zijn handen een pianokruk, gebogen over haar weerloze zoontje Duchli. Het gezicht van de man was vertrokken in een akelige grimas. Zijn woeste haardos stond verwilderd alle kanten uit, alsof hij zijn haar uit zijn hoofd had willen trekken. “Ik zei: een terts, niet een kwint, idioot!” brulde de man. Daarna liet hij de pianokruk met kracht neerkomen op het hoofd van het arme ventje. Een akelig krakend geluid maakte duidelijk dat de klap een fatale uitwerking had.

Weer klonk een gil, maar nu uit de mond van Amelie. Ze had haar kind zien doodslaan door een bruut van een vent, een volslagen krankzinnige. Haar toch al niet sterke geest begaf het. Welke moeder zou in dergelijke omstandigheden haar zinnen nog bij elkaar kunnen houden? Bedienden snelden binnen en wierpen zich op de nu volledig dol geworden componist. Terwijl het personeel hem wegsleepte van de plek des onheils, bleef hij roepen: “Een terts, ik zei een terts, maar jij luisterde niet, snotjoch!”

Hoe groot mijn ontsteltenis was hoef ik niet te beschrijven. Over de schouder van mijn nicht had ik het hele gebeuren aanschouwd. Ik had de klap gezien en bovenal gehoord. De doodskreet van het jongetje zette zich vast in mijn geest. Zelfs tegenwoordig hoor ik hem nog, als ik onrustig slaap.

Toen ik zag hoe enkele dienstboden het lijkje voorzichtig optilden en wegdroegen, naar zijn jongenskamer, leek er een deken over mijn gevoel te worden gelegd. Ik voelde niets meer; een nevelige stilte vulde mijn binnenste. Gelukkig kon ik nog wel functioneren. Samen met haar gezelschapsdame boog ik mij over nicht Amelie. Ze zat op haar knieën op de grond, ze was in shock. Uit haar gezicht leek alle bloed te zijn weggevloeid. Haar donkere ogen waren wijd opengesperd en staarden naar de bloedvlek op het tapijt.

Wat wij ook probeerden, vlugzout, troostende of vermanende woorden, niets hielp. Mijn nicht raakte in een stuporeuze toestand. Wij hadden haar overeind geholpen, maar ze verzette geen stap meer. Geen woord kwam over haar lippen. Stokstijf bleef ze staan staren. Die onnatuurlijk blik was verschrikkelijk om te zien. De dokter, die een uur later kwam, kon niet anders doen dan het vaststellen van de dood van het jongetje en het vallen van het duister over de geest van de moeder. Zijn voorschrift voor de komende avond en nacht was eenvoudig: “Breng haar naar bed, laat het weten als er verandering in de toestand optreedt. Ik zal een extra fles laudanum voor haar achterlaten. God weet, dat ze het nodig heeft, de arme ziel.”

Ik bracht de avond door in stille verbijstering. Ik ben een telg van dezelfde familie. Ook bij mij ligt zenuwzwakte vlak onder het oppervlak van normaal functioneren. Mijn geest is maar niet tegen alles bestand. Ik geloof dat ik die avond, in mijn eentje in de salon, een hele fles rode port heb leeggedronken. Dat zal een vreemde indruk hebben gemaakt op de brigadier van politie, die halverwege de avond arriveerde, en probeerde uit mijn verwarde woorden de juiste toedracht van het gebeurde te destilleren. Ik moet bizar en ontredderd zijn overgekomen. Het was niet anders. Zo goed en zo kwaad als het kon stamelde ik het hele verhaal eruit. “Ik denk dat u er goed aan doet zelf ook naar bed te gaan,” liet de politieman mij aan het einde van het gesprek weten, “u ziet eruit alsof u niet lang meer op de been kunt blijven.”

 

Het is niet mijn gewoonte familiebezoek uit te breiden tot een logeerpartij. En ik voelde er al helemaal niets voor de nacht door te brengen in dat vervloekte huis. Maar er was meer gebeurd dan mijn geschokt gestel aankon. Daarbij had ik zoveel port gedronken, dat het ongepast zou zijn geweest mij in die toestand nog buiten te wagen. Zo laat op de avond was er trouwens geen koets meer te krijgen. Ik liet mij dus maar door de butler leiden naar de logeerkamer, een kamer die zich in dezelfde gang bevond als de jongenskamer van arme Duchli en de slaapkamer van de vrouw des huizes.

Ik kan niet zeggen dat ik in een droomloze slaap viel. Akelige beelden verstoorden mijn nachtrust, verontrustende geluiden ook. Zo af en toe leek ik gedempte kreten te horen. Waar kwamen ze vandaan, uit de gewelven in het huis, uit de aangrenzende kamers misschien? Ik wilde het niet weten en ik dook onder de dekens, in een wanhopige poging te vluchten voor mijn toenemende angst.

Het zal drie uur ’s nachts of daaromtrent geweest zijn. Ik schrok ik wakker van een doordringende gil. Dit was geen kreet in mijn droom, ook niet uit de gewelven, maar een die beslist ergens in míjn gang weerklonk. Meer precies leek het geluid afkomstig uit de slaapkamer van nicht Amelie.

Ik sprong in paniek uit bed en rende, nog gehuld in mijn nachtgewaad, naar de kamer van waaruit de kreet had geklonken. Ik wierp de deur open en verstarde bij het zien van een aller afschuwelijkst schouwspel. Nicht Amelie lag op haar bed met grote ogen naar iets te staren. Haar hoofd lag niet op het kussen, maar leek er wel twintig centimeter boven te zweven. Het licht van een kandelaar wierp een flakkerend schijnsel op haar, in een witte nachtjapon gehulde, gestalte. Was zij het die zoeven had gegild? Haar houding zag er onnatuurlijk uit, maar ze maakte geen geluid. In de kamer was het dreigend stil.

Bij het licht van de kandelaar zag ik de aangebroken fles laudanum op het nachtkastje staan. Ik had weleens gehoord over de vreemde neveneffecten van opiaten. Ook had ik gelezen over catalepsie, een toestand van verstijving waarin psychiatrische patiënten kunnen geraken. Hun lichaam kan in allerlei vreemde houdingen ‘bevriezen’. Zo meende ik voor mijzelf te kunnen verklaren waarom het hoofd van Amelie het kussen niet raakte. Maar mijn overpeinzingen werden onderbroken door de acute gebeurtenissen in de kamer.

De vrouw lag nog even stil, maar plots schoot ze rechtop en wees naar een plek midden in de kamer, naast haar bed.

“Amelie, wat is er? Wat zie je?” riep ik angstig.

“Daar, hij staat daar.” Klonk het bijna fluisterend uit haar mond. “Zijn schedel is vermorzeld, het bloed loopt uit zijn haar, over zijn gezicht.”

“Zie je.., je zoon?” Hijgde ik verschrikt.

“Duchli, hij staat daar, hij zwijgt en kijkt naar me, hij stáárt naar me. De stem van Amelie klonk nu raspend. “Hij strekt zijn handen naar mij uit. Hij grijpt naar mij. Hij, hij…”

Ik zal nooit weten wat ze verder nog wilde zeggen. Amelie kwam volledig overeind. Haar ogen leken bijna uit haar kassen te rollen. Een onaardse brul steeg op uit haar borst, overgaand in een snerpende en aanhoudende gil. Het gillen stopte niet meer. Ik hield mijn handen tegen mijn oren terwijl ik in elkaar dook om te ontsnappen aan de verschrikking voor mij. Amelie bleef gillen, ook toen ze door de slaapkamer naar het raam rende, haar haren en nachtjapon achter haar aan wapperend. Ze gilde nog toen ze zich met een klap en veel glasgerinkel door het venster wierp. De doordringende kreet stopte pas toen het lichaam van mijn nicht te pletter sloeg op de granieten balustrade van het bordes, onderaan het huis.

 

 -----

 

 Achtergrond

Het verhaal is fictie. Niettemin zijn er onderdelen die raken aan een historische werkelijkheid.

Hugo Wolf (1860-1903) was een Oostenrijks componist die in 1898, wegens krankzinnigheid, werd opgenomen in een psychiatrische kliniek. Van hem is bekend dat hij een van zijn leerlingen bestrafte door hem met een pianokruk op het hoofd te slaan.

In de klassieke psychiatrie (vóór de toepassing van moderne psychofarmaca) zijn beelden als stupor en catalepsie beschreven. Stupor is een toestand van geestelijke verlamming. De patiënt kan recht overeind staan en volledig bij bewustzijn lijken, maar toch niet reageren op prikkels. Stupor kan optreden na bijvoorbeeld een zeer heftige emotie.

Catalepsie is een aandoening waarin de patiënt doorgaans een verlaagd bewustzijn heeft. Hij bevindt zich in een soort verstijving. De ledematen kunnen in onnatuurlijke houdingen worden geplaatst (flexibilitas cerea). De patiënt kan zo’n houding uren of dagen volhouden. De op bed liggende patiënt met het hoofd ‘zwevend’ boven het kussen is hiervan een bekend voorbeeld. Deze toestand zag men wel bij psychotische patiënten, maar ook bij zieken die verdovende middelen hadden gebruikt.

Laudanum is een bitter smakende drank, gemaakt van opiumpapaversap. Het werd, tot het begin van de twintigste eeuw, gebruikt als een middel tegen allerlei aandoeningen en het was zeer verslavend. Als bijverschijnsel konden extreme gevoelsuitingen optreden.

De naam Duchli is ontleend aan ‘duch’ het Slowaakse woord voor geest (Slowakije was destijds een onderdeel van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie).

Het verhaal past in de verteltraditie van de negentiende eeuw. In de hoogtijdagen van de romantiek las men elkaar graag enge verhalen voor, van onder anderen: Samuel Coleridge (The rime of the ancient mariner, 1828), Mary Shelley (Frankenstein, 1831), Emily Brontë (Wuthering Heights, 1847) en Bram Stoker (Dracula, 1897). Op eenzame hoogte in het genre griezelverhaal stond Edgar Allan Poe (o.a. The masque of the red death, 1842). 

 

 Afbeelding: http://www.histoiredelafolie.fr/wp-content/uploads/2015/01/SEMMOLACATALEPSIE0003.jpg

 

 

© 2016 Paul Christiaan Smis