Lidewij

‘Het gaat een stuk beter met je.’ De psychiater legde het dossier opzij, schoof de bril wat verder op zijn neus en wierp een routineuze blik op het gezicht aan de andere kant van zijn bureau. ‘We hebben ons zorgen over je gemaakt, Lidewij, maar uiteindelijk sloeg de haldol aan. Dat is een beproefd middel bij kraambedpsychoses. We kunnen nu aan ontslag gaan denken.’

    ‘En de baby? Gaat de baby ook mee naar huis?’

    ‘Wat jammer dat je het nog steeds hebt over “de baby”. Klinkt toch een beetje alsof hij niet van jou is, vind je niet? Maar goed, daar werken we nog aan.’ De dokter glimlachte. ‘In elk geval kun je binnen een of twee weken naar huis. Ik heb al psychiatrische thuiszorg voor je geregeld.

    Lidewij zweeg, ze keek naar een scheef hangende map in de boekenkast. ‘Sociale va …’. De rest van de tekst ging schuil achter een vakantiefoto. Haar gedachten dwaalden af. Ze zag zich zitten, alleen met haar baby in die halfdonkere kamer in het kraakpand. Bij het idee alleen al kreeg ze het benauwd. Ze ademde snel en oppervlakkig. Het bloed stuwde bonkend in haar hoofd en haar keel voelde dik aan.

    ‘Ben je niet blij, Lidewij?’

    De vraag van de psychiater bracht haar terug in het nu. ‘Je kijkt zo vlak, zo afwezig.’

    ‘Ik ben bang, bang dat de stemmen terugkomen, bang voor het huilen van de baby, bang voor alles.’

    ‘Angst is een normale menselijke emotie. Waar het om gaat is dat jij die emotie regeert, niet andersom. Ik ben er niet bezorgd over. Je zult je angst overwinnen.’

    ‘Dat weet ik niet zo zeker. Kan een mens ook bang zijn voor zichzelf?’

     ‘Maak je nou niet zo druk, zolang je die haldol maar slikt, blijven de stemmen weg.’ Achteroverleunend in zijn bureaustoel bladerde de arts in de status. ‘Weet je wat? Ik geef je er nog een extra pilletje bij, dan komt het echt helemaal goed.’

Hij keek over zijn weer wegzakkende bril om te zien of zijn woorden enig effect sorteerden.

    Lidewij schoof nerveus op haar stoel heen en weer.

    De dokter legde zijn map neer. ‘Denk eraan Lidewij, dit is belangrijk: Je welzijn hangt samen met je medicijntrouw.’

 

*

 

De baby krijst, snerpend, zonder ophouden. Lidewij zit op een rechte houten stoel. Ze staart en zwijgt. Het geluid uit de wieg slokt haar op en isoleert haar van de rest van de wereld. Het bedje is ontdaan van contrast, alsof het licht op de bon is. Het naar schimmel ruikende behang lost op en wordt vaag, de kamer in het kraakpand is haar kamer niet meer. Wat blijft is het gegil en een wieg die zweeft in een waas.

    Lidewij balt haar vuisten, de nagels dringen in haar handpalmen. Pijn brengt haar terug, terug in de kamer, terug in het flauwe ochtendlicht en terug in haar angst. Ze knippert met haar ogen. Traanvocht wast het floers weg en de wieg zweeft niet meer. Lidewij kijkt giftig naar het kinderledikant. Het dekentje bolt hinderlijk ritmisch op door trappelende beentjes.

    ‘Hou je kop!’ gilt ze. ‘Hou toch je kop, of ik smijt je tegen de muur!’ In gedachten ziet ze het bloed al van het behang druipen. 

    Misschien voelt de baby die golf van drift, misschien dragen moeders gedachten meters ver, het krijsen neemt af. De wereld keert naar de Lidewij terug. En met de wereld komen de stemmen.

    ‘Dood,’ klinkt het rechts van haar, ‘maak het maar dood’.

    Lidewij houdt haar adem in, gespannen kijkt ze om zich heen. Er is niemand, ze is alleen, alleen met de baby.

    Ik had niet moeten stoppen met die stomme pillen. De psych heeft het nog zó gezegd.

    ‘Maak het dood,’ dringt de stem aan.

    Dat – het – klinkt neutraal en onzijdig, maar Lidewij weet dat het over de baby gaat. Ze kan er zelf ook niet toe komen het kind bij zijn naam te noemen.

    Ze weet dat ruzie maken met de stem geen zin heeft, maar toegeven kan Lidewij ook niet, nog niet. Ze raapt ze zich weer bij elkaar en zegt luid: ‘Nee!’

 

*

 

‘Doodmaken, dat is wel heel erg, Lidewij’. Maanden geleden hadden de zusters in de kliniek haar dat voorgehouden, iedere dag weer. Bij haar bezoekjes aan de kinderafdeling hadden ze op haar lip gezeten. Rustig trokken ze dan Lidewijs handen weg van de hals van haar baby’tje. Vergoelijkend glimlachend corrigeerden ze de onhandige bewegingen van de bizarre moeder die het kind ondersteboven hield alsof het een pop was.

    ‘Het moet dood, het moet dood!’

    ‘Nee, Lidewij, echt niet. Kijk toch eens wat een lieve baby. Heus het komt allemaal goed met jou. Als je maar geduld hebt en als je maar je pillen slikt.’

    Na vier maanden worstelen waren de stemmen en de wanen inderdaad verdwenen. Lidewij oogde als iedere jonge moeder, moe maar moederlijk. Ze mocht met weekendverlof naar huis. Na een paar geslaagde zaterdagen en zondagen, mocht de baby mee, onder begeleiding van een waakse verpleegster. Het ging goed, Lidewij slikte trouw haar pillen, haar angsten en wanen bleven weg. Ten slotte werd de begeleiding afgebouwd tot een bezoekje van de thuishulp, een kwartier per dag. Lidewij was weer alleen in haar kraakpandje, alleen met de baby.

 

*

 

Ze schudt haar hoofd om de stem kwijt te raken, haar rode krullen golven heen en weer. Driftig staat ze op en loopt weg van de wieg.

    De baby is nu stil. Lidewij is zich weer bewust van haar kamer. Ze ziet de deur met krassen in de verf en het ruitjesvenster daartegenover. Het januarigrauw wringt zich door het ongewassen glas naar binnen.

    ‘Nee,’ zegt ze weer. ‘Nee, straks komt de thuiszorg. De zuster weet raad.’

    De stem roept iets onverstaanbaars.

    Lidewij heeft er genoeg van, de stem moet ophouden. Ze graait een lichtblauwe haarborstel van de commode en gooit. Met een krakend geluid raakt het ding de staande spiegel naast de deur.

    Schokkerig loopt Lidewij naar haar glanzende beeltenis toe. De bijwerking van de medicijnen maakt soepel bewegen moeilijk. Ze kijkt in wat er nog over is van het spiegelglas.

    Wat een vermoeide rotkop. Kijk, er loopt een barst dwars over mijn voorhoofd. Heb ik dat net gedaan of had ik al een breuk in mijn gezicht?

    Lidewij bukt zich en vist de borstel op tussen enkele glasscherven. Haar hart slaat een slag over als ze weer opkijkt. Ze ziet haar eigen gezicht, maar daarin staan vreemde ogen. Ze staren haar aan, onbeweeglijk en wezenloos. Lidewij verstijft.

    ‘Dood,’ fluistert de spiegel.

    ‘Nee,’ kreunt Lidewij, ‘dat mag niet.’

    De spiegelogen glanzen. ‘Dood!’ klinkt het nu luider.

    Trillend strekt Lidewij haar arm uit. Met haar wijsvinger voelt ze aan de barst in het glas. Een hand in het spiegelbeeld doet hetzelfde. Er loopt bloed uit beide wijsvingers. De breuk kleurt rood.

    ‘Rustig,’ zegt ze tegen de spiegel, maar ook tegen zichzelf, ‘rustig maar. Het is niet echt, het kan niet echt zijn.’ Dan glimlacht ze en kijkt haar gebarsten evenbeeld aan. ‘Wil je thee?’

    ‘Earl grey.’

    ‘Nee, geen earl grey. Kamille, daar word je rustig van.’ Ze loopt naar het keukenblok, pakt een fluitketel en zet water op. Ze kijkt over haar schouder om te zien wat de glasscherven ervan vinden. Die kijken terug en zeggen niets.

    ‘Ik heb mijn pillen niet geslikt, al een week niet.’ bekent ze aan de spiegel. ‘Niemand weet dat, maar straks komt de zuster, dan zal ik het zeggen.’

    De spiegel antwoordt niet en blijft staren.

    Het water kookt, het fluiten van de ketel scheurt door de stilte. Lidewij schrikt. Ze kijkt naar de wieg en dan naar de spiegel. ‘Ik had de fluit er niet op moeten doen, verdomme!’

    De spiegel komt weer tot leven. Een van de achtergebleven scherven laat los en valt rinkelend uit de lijst. ‘Wurg het,’ eist het gezicht vanuit het gebroken glas.

    Lidewij stoot een stoel om, ze wil vluchten. Zo snel als haar lichaam het toelaat stommelt ze naar de andere kant van de kamer.

    ‘Hou op!’ roept ze, ‘Ga weg!’ Ze hoeft niet om te kijken om te weten dat de spiegel nog steeds op haar let.

    Hijgend steunt ze met een hand op het kale blad van de eettafel. Haar oogleden doen pijn. ‘Straks komt er hulp,’ huilt ze. ‘De zuster zal me helpen.’

    Ze vlucht nog verder en werkt zich langs de tafel, naar het dressoir, waarop – tussen alle medicijnpotjes – een transistorradio staat. Lidewij zet hem aan en draait de volumeknop een slag om. Purple Rain, de top veertig-hit van het moment verdringt de stem.

    Lidewij pakt een medicijnpotje op. Ze bekijkt het en rolt het heen en weer tussen haar vingers. ‘Mijn haldol,’ mompelt ze. ‘Straks vertel ik alles aan de zuster: dat ik al een week geen pillen slik, het gegil van de baby, de stem, de spiegel … nog eventjes, dan komt ze.’

    Iemand zegt iets. Lidewij verstaat de woorden niet, maar dat is ook niet nodig. Opnieuw klinkt het geluid. Nu wordt het haar duidelijk: een stem praat door de muziek heen.

    Lidewij gilt en draait zich om naar de spiegel. Kaal hout in een glans van scherven. De spiegel was het niet.

    Weer een woord, een gefluisterd woord. ‘Baby.’

    Angstig kijkt ze om zich heen. Ze luistert en gluurt. Ineens weet ze het: het geluid komt van vlakbij haar. Ze deinst achteruit. De stem komt uit de radio en zwelt aan. ‘Wurg het, knijp zijn strot dicht!’

    Lidewij slikt, haar keel voelt droog aan. Het slikken helpt niet. Haar adem komt schroevend. Ze wipt op en neer op de bal van haar voet. Haar vuisten openen en sluiten zich. Een benauwde schreeuw scheurt zich los uit haar borst. Ze laat zich met haar bovenlichaam op het dressoir vallen, grijpt de radio met twee handen vast, houdt hem boven haar hoofd en slingert hem tegen de muur.

 

De transistor ligt gebroken en geluidloos op de vloer. De stem zwijgt. Lidewij kijkt op, ze loopt naar de fluitketel en haalt hem van de kookplaat. Afgezien van haar hijgende ademhaling is het stil in de kamer.

    Er komt een geluidje uit de wieg, eerst zachtjes, dan harder en nog harder. Beentjes schoppen, handjes graaien in de lucht. De baby zet het op een krijsen.

    In twee stappen is Lidewij bij het ledikantje. Gillend grijpt ze het houtwerk vast en schudt het wild heen en weer. ‘Hou je klep, hou godverdomme je rotkop dicht!’ Ze laat de wieg los, zet een omgevallen stoel recht en ploft daarop neer. Ze haalt een paar keer diep adem. Dat helpt even. Ze buigt zich over het bedje en wil glimlachen, maar ze komt niet verder dan het laten zien van haar tanden. ‘Stil,’ smeekt ze, ‘wees nou toch alsjeblieft stil. Straks komt de zuster, echt waar, nog een paar minuten volhouden.’

    Maar de baby zwijgt niet.

    De stemmen ook niet. Ineens komen ze overal vandaan. ‘Maak het af!’ giert de spiegel. ‘Kapot,’ klinkt het uit een stopcontact, ‘maak het kapot!’ Zelfs de restanten van de overleden transistor komen tot leven.

    Lidewij staat op. Met een bevroren uitdrukking op haar gezicht loopt ze tussen de stemmen door, naar de kookplaat. Daar staat nog steeds de ketel met theewater. Ze pakt hem op en loopt terug.

    Schril klinkt de deurbel. Keer op keer en steeds langer. Het geluid overstemt de herrie in de kamer, maar Lidewij reageert niet. Ze staat met haar ketel bij de wieg en staart. Nu breekt haar glimlach door.

 

 ***

 

 

 

Afbeelding: Poppenhuiswieg, anoniem, ca. 1400 - ca. 1950; //www.rijksmuseum.nl/nl/zoeken/objecten?q=wieg&p=19&ps=12&st=Objects&ii=4#/BK-KOG-1352,220

 

 

 © 2018 Paul Christiaan Smis