Hamza Boerenkool

Het punt met Adrianus Wantij was dat hij een hekel had aan de wereld. Niet de hele wereld, alleen het deel dat hij leugenachtig noemde. Als kind al had Adrianus – Adrie voor de zeldzame intimi – verbaasd opgekeken als een van zijn vriendjes bij het knikkeren valsspeelde. Dat hoorde niet, zoiets deed je niet.

Tijdens zijn lange loopbaan als bibliothecaris had hij compassie gehad met de boetvaardige klant die schuldbewust zijn boek te laat terugbracht. Echter tegen de zondaar die zijn eigen tekortkoming ontkende en de blaam voor de overtreding bij een ander legde, was Adrianus – op fluistertoon – tekeer gegaan. Valsspelers waren in zijn domein niet welkom.

Was hij dan een misantroop? Nee. In de werkelijkheid van Adrianus Wantij mochten wel mensen rondlopen, zolang ze maar de waarheid spraken. Dat maakte dat er niet zo heel veel mensen voor hem overbleven. De buurvrouw vertelde – terwijl zij naast de wipkip op het pleintje op haar kleindochter zat te passen – vreselijke verhalen over andere buurvrouwen. Iedereen wist dat ze maar half waar waren. Niemand trok zich daar iets van aan, maar Adrianus wel. De politicus op tv deed beloften waarvan hij wist dat hij ze niet ging nakomen. Heel het land begreep dat de man loog en toch stemde men op hem. Adrianus niet. Hij stemde helemaal niet want volgens hem logen ze allemaal, die politici.

Zijn vrouw, Elodie, had hem twintig jaar geleden verlaten. Ze was een lieve vrouw voor hem geweest, maar Adrianus had nooit begrepen hoe zij woorden als ‘leugentje’ en ‘bestwil’ met elkaar kon combineren. Hij had de wenkbrauwen opgetrokken als Elodie tegen hem zei dat die nieuwe broek hem enig stond. Hij had niets gezegd als ze van de kapper thuis kwam en hem uitnodigend aankeek. Haar metamorfose had hij niet opgemerkt en hij wilde ook niet doen alsof. Op een dag had Elodie met deuren gesmeten en haar koffers gepakt.

De verlaten echtgenoot had gehuild, dikke oprechte tranen. Maar Elodie was weg en Adrianus dacht dat het misschien maar beter was. Zij was in haar wereld met zijn halve waarheden en zijn gemankeerde bestwil en hij was in de zijne.

Zelfs in een gekrompen samenleving was er voor Adrianus nog te veel leugen. Hij was inmiddels gepensioneerd, hij leefde zoveel mogelijk aan de binnenkant van zijn flatje in een oud appartementengebouw. Maar voor wie de wereld vreest, is zo’n binnenkant niet veilig genoeg. Adrianus hoefde de krant maar op te slaan en het was al mis. Al die reclame, al die berichten, die op zijn best maar een beetje waar konden zijn. En hij hoefde de deur maar open te doen om de wipkipse roddeltante van hiernaast tegen te komen. Het was genoeg, Adrianus wilde weg. Ze konden allemaal het dak op!

 

Het was een schemerige dinsdagmiddag. Adrianus stond in de huiskamer voor het raam en staarde verveeld naar buiten. Zijn blik haakte vast aan het platte dak van de flat tegenover hem. Het was toen dat hij getroffen werd door een verlossende gedachte. Het dak op? Als hij nu zelf eens het dak op ging? Weg van iedereen, weg van de onbetrouwbaarheid. Helemaal in zijn uppie op het dak? Adrianus draaide zich om, weg van het raam, en schoof zijn bril omhoog op zijn neus. Hij keek naar boven, naar het plafond van de huiskamer. In gedachten zag hij zich al zitten, in een hutje op het platte dak. Een veilig en warm stulpje, gebouwd rondom een van de grote schoorstenen. Hij glimlachte.

In de dagen die volgden, was Adrianus druk bezig met slepen. In alle vroegte haalde hij stukken hout en plastic weg bij de vuilnisbakken op straat. Hij had de materialen natuurlijk kunnen kopen bij de bouwmarkt, maar dat vond hij niet passend. Zijn hutje moest worden opgetrokken van stukken die door de samenleving waren afgestoten. Stille spullen waarvan het nut werd ontkend. Maar hij, Adrianus Wantij, zou eens laten zien dat ook die ontkenning een leugen was.

De buurt sliep nog, niemand viel hem lastig. Onder dekking van het duister droeg hij de planken de vier houten trappen van zijn flatgebouw op. Boven, op zolder, opende hij het dubbele raam dat toegang gaf tot het platte dak en hij werkte zijn buit van die ochtend erdoorheen. Toen Adrianus op de ochtend van de zevende dag weer naar beneden liep om nog meer materiaal te zoeken, merkte hij dat de buitendeur, die toegang gaf tot de straat, niet meer goed sloot. Hij probeerde het slot wel twintig keer dicht te draaien – tien keer vaker dan zijn gewoonte was – maar het mechanisme klikte niet. Er dreigde een onregelmatigheid in de geplande gang van zaken.

Dat bleek ook wel toen Adrianus ’s anderendaags terugkwam van zijn strooptocht en een jongetje aantrof in het trappenhuis. Het knulletje – hij zal niet ouder zijn geweest dan een jaar of zes – zat op een van de treden van de onderste trap. Hij had zijn wollen jas met houtje-touwtje sluiting strak om zich heen geslagen. Adrianus zag kippenvel op de blote kuiten onder de driekwart-pijpen van de broek.

Het jochie keek oude man aan. Hij had grote donkere ogen en dikke zwarte wimpers als kleine vegertjes.

Adrianus liet de plank die hij meezeulde los en staarde terug. Er hing een ongemakkelijke stilte boven het stof in het trapportaal.

‘Je hebt een grote neus,’ zei het kind, wijzend naar het gezicht boven hem.

De wenkbrauwen van de heer Wantij schoten omhoog. Zijn lippen verstrakten. Langzaam bracht hij zijn hand omhoog en betastte zijn neus alsof hij dat orgaan voor het eerst voelde. Het joch heeft gelijk, dacht hij. Hij is misschien niet beleefd, maar hij liegt niet. Hij kuchte. ‘Ik heb… Wel alle… Nou goed, ik heb inderdaad een grote neus. Maar dat doet er niet toe. Wie ben jij en wat doe je in mijn trappenhuis?’

De jongen trok zijn benen op onder zijn jas en legde zijn armen om zijn knieën. ‘Ik ben Hamza en ik heb het koud. Daarom zit ik hier.’ Hij sliste alle s-klanken doordat hij zijn rechter voortand miste, maar zijn woorden klonken daardoor niet minder stellig.

Adrianus wist niet of hij het mannetje nu vrij moest vinden of brutaal. ‘Dat klinkt als een eerlijk antwoord. Maar hoe heet je van achteren? Hoe is je naam voluit?’

‘Hamza Boerenkool.’

‘Ha, maar dat kan niet waar zijn! Zo heet niemand. Je liegt.’ Adrianus hand schoot naar voren. Trillend wees de wijsvinger naar het kind op de trap.   

‘Echt niet! Bij ons in het centrum noemt iedereen me zo. Een lieve dame bracht een pan boerenkool mee. Mijn moeder vond het vies, mijn vriendjes vonden het vies, maar ik vond het lekker. Iedereen lachte me uit. Zo dus.’ In Hamza’s ogen waren, terwijl hij vertelde, lichtjes gaan branden. Bij het woord ‘lekker’ sprong hij overeind en wapperde enthousiast met zijn handen.

‘Zo zo, dus je houdt van boerenkool en je woont in een centrum.’ De oude man moest het even verwerken. Nieuwe dingen vond hij lastig. Als hij ermee werd geconfronteerd, veranderde zijn gedachtegang in een stroperige stroom. Soms echter zat het mee en spoelde een belemmering vanzelf uit zijn geest weg. Na enig wikken en wegen won de soepele stemming het van de grimmige, want Adrianus kon geen leugen in Hamza ontdekken.

Hamza, van zijn kant, zag alleen maar een opa-achtige man op de versleten traploper staan, geen afwijzende iezegrim en geen bedreiging voor kleine zwervertjes. In een paar minuten babbelde het jochie zijn heden en verleden over de houten traptreden. Hij zat al zo lang hij zich herinnerde met zijn moeder in een asielzoekerscentrum. Moeder Boerenkool moest binnenkort terug naar Irak en daarom mocht ze het centrum niet verlaten. Hamza was echter vrij om in en uit te lopen en dat deed hij dan ook. Hij wist in de buurt alle plekjes te vinden waar de mensen hun grof afval neergooiden, mooie planken, fijne stukken spaanplaat.

‘Heb je honger?’ gromde Adrianus. Hij wachtte het antwoord niet af, wenkte Hamza om mee te komen en stommelde de trap op.

 

Vanaf die dag trokken Adrianus en Hamza samen op. De oude man die niet tegen leugens kon en de jongen die geen reden had om te liegen. Hijgend zeulden ze het bouwmateriaal tegen de trappen op en als er gepauzeerd moest worden, zorgde Adrianus voor melk en brood.

‘Waar is mevrouw Wantij?’ vroeg Hamza op een dag, terwijl hij aan de keukentafel een boterham met kaas naar binnen werkte.

‘Mevrouw Wantij is er niet. Ze is eh… weg.’

‘Al lang?’

‘Mwah.’

‘Maar wanneer komt ze dan weer thuis?’ sliste het jochie.

‘Binnenkort. Ja, binnenkort komt ze terug,’ antwoordde Adrianus. ‘Ze is…’ hij zweeg een seconde, ‘…op vakantie.’

Hamza legde het restant van zijn boterham neer en keek om zich heen. Hij stond op en liep met trage passen de keuken door, langs de haakjes waar ooit potten en pannen hadden gehangen, langs de glazenkast waarin maar een paar bordjes en kopjes stonden. Hij stopte bij het fornuis en daarna ook bij de wasmachine. Ten slotte bleef hij staan voor de stoel waarop Adrianus zat en trok de oude man aan zijn mouw. ‘Jok je nou? Het ruikt hier helemaal niet naar iemand die kookt of de was doet. En waar is haar schort?’

De oude heer Wantij werd rood. In één beweging veegde hij de kruimels op zijn bord bij elkaar en goot die in zijn mond. Daarna stond hij bruusk op. ‘Kom mee, wijsneus, we moeten weer verder.’

 

Dat sjouwen in weer en wind is mooi, maar niet ieder gestel is erop gebouwd. Het hutje op het dak was al een heel eind gevorderd toen Adrianus begon te hoesten. Hij negeerde het en bouwde verder. Een dag later echter kreeg hij zijn armen bijna niet meer omhoog. De ochtend daarna kon hij niet meer uit bed komen.

Hamza kreeg een briefje met het adres van de huisarts in zijn handen gedrukt. Nog diezelfde middag velde een geneesheer het vonnis. Adrianus had longontsteking, een verwaarloosde longontsteking nog wel.

Weken gingen voorbij in een roes van slijmbellen en gerochel. Adrianus zweefde langs de rand van iets duisters. Hij had geen aandacht meer voor de wereld, de radio, de krant en de buren. Leugen en waarheid, ze verloren zich in zijn koortsdromen, tolden daar om elkaar heen en verslingerden tot een draderige massa.

Hamza bezocht de oude heer Wantij trouw. Hij probeerde hem op te monteren met anekdotes uit het centrum – het vertrek naar Irak was aanstaande – en verhalen over het dak. De jongen was tijdens Adrianus’ ziekte gewoon doorgegaan met sjouwen. Op goed geluk had hij de stukken hout en spaanplaat tegen de muren van het hutje gezet. Hamza huppelde rond het bed terwijl hij dat vertelde, wapperend met zijn handen. Hij wees naar boven en riep: ‘En het blijft nog staan ook!’

Oude mensen hebben een repeterend bestaan. Hoe vaak zijn ze niet bijna dood? En dan, op het nippertje, herstellen ze en tekenen weer bij voor een volgende episode in hun leven. Zo ook Adrianus Wantij. Hij voelde zijn einde naderen, maar het naderde niet genoeg en de oude man krabbelde weer op. Aanvankelijk had hij slechts belangstelling voor de directe omgeving van zijn bed en voor het gebabbel van Hamza. Diens verhalen leidden de gedachten van de oude man naar het asielzoekerscentrum en vandaar naar de wereld die zulke centra in stand houdt. Het duurde niet lang of Adrianus wist weer waarom hij een hutje wilde bouwen.

‘Ga je mee naar het dak?’ Vroeg Hamza op een dag.

‘Waarom?’

‘Het is mooi weer.’

Adrianus keek naar buiten. Het was zwaar bewolkt.

‘Is dat waar?’

‘Het is droog, dus het is mooi weer.’

De rimpels in het voorhoofd van de oude man zakten terug op hun plaats. ‘In jouw wereld is het mooi weer. Goed dan, ik wil wel gaan, maar vandaag nog niet.’

 

Het was op een grauwe ochtend, later die maand, dat Adrianus de kracht vond om zich de trappen naar zolder op te hijsen. Hij had zijn abonnement op de krant opgezegd en zijn televisiebeeld stond al dagen op zwart.

Op de bovenste verdieping kwam Hamza hem tegemoet. Bij de oude man aangekomen, legde het jochie zijn handje op de rimpelige onderarm en liep mee naar boven.

‘Dit is het dan, Hamza,’ hijgde Adrianus. ‘Dit is het dan. De heer Wantij neemt afscheid van de wereld en trekt in zijn hutje op het dak.’

De ogen van het jongetje glansden. Hij verstevigde zijn greep en trok Adrianus mee naar het hutje.

Het was een grappig bouwseltje geworden, een wirwar van vezelplaten, planken en lappen plastic zeil. Touwtjes en een enkele spijker hielden de zaak bij elkaar. Vanuit het midden van de hut rees de enorme schoorsteen van het flatgebouw op.

Hamza duwde een wrak plastic deurtje open, keek omhoog naar Adrianus' gezicht en zei monter: ‘Hier wonen we nu.’

Adrianus slikte. Zijn gedachtestroom dikte in en er verscheen een groef boven zijn neuswortel. Waarom zegt hij dat? Waarom liegt hij nu? Hij woont er niet, ik woon hier. Hij bukte om zijn hoofd niet te stoten en deed een stap naar binnen. Het was er behaaglijk warm; de invloed van de grote schoorsteen.

Achterin de hut brandde een kaarsje. Het licht dat danste op de plotselinge luchtstroom bescheen de contouren van een gehurkt zittende vrouw. Ze stond op en kwam vrijwel onhoorbaar naar voren.

Het was voor Adrianus alsof hij een geest zag, een geest met net zulke donkere ogen en wimpers als Hamza.

De vrouw stond nu vlak voor hem. De geest vervaagde en Adrianus’ gedachten kwamen weer op gang. Hij zag een gezicht, omsloten door een hoofddoek die zijn best deed alle haarlokken in bedwang te houden. Sommige krullen ontsnapten en piekten naar buiten. Haar ogen zochten die van de oude man.

In haar blik zag Adrianus het striemen van de wereld, beloften die waren gedaan en een rauwe, machteloze waarheid: de afstand naar Irak.

Zijn lippen vertrokken tot een ijle glimlach. Hij voelde de warmte van Hamza’s hand in de zijne. Hij kneep er zachtjes in en zei: ‘Mevrouw Boerenkool?’

 

Er was een week verlopen sinds Adrianus’ tocht naar boven. De oude man was echter niet in het hutje getrokken. Hij was met zijn hervonden emoties en inzichten teruggekeerd naar zijn flatje, op de voet gevolgd door de hutbewoners. In zijn afkeer van de wereld had Adrianus een nieuw strijdperk betreden: dat van de burgerlijke ongehoorzaamheid. Hij had twee kamers in zijn appartement vrij gemaakt voor Hamza en zijn moeder. Niemand zou van de oude man te horen krijgen waar het illegale gezinnetje gebleven was. Als iemand er naar vroeg, zou hij onwetend de schouders ophalen.

‘Smaakt?’ probeerde Hamza’s moeder. Ze keek Adrianus van de andere kant van de eettafel hoopvol aan. De hele middag had ze in de keuken geploeterd op haar eigen variant van boerenkool. Er zaten allerlei exotische kruiden in en natuurlijk geen worst.

Adrianus nam een flinke hap. Zijn tong vertelde hem dat er iets mis was. Hij slikte krampachtig en voelde hoe zijn keel dichttrok. Het waterglas bij zijn bord bracht uitkomst.

Ook Hamza, die zich al halverwege door de berg stamppot op zijn bord had gegeten, keek hem nu nieuwsgierig aan. ‘Vind je het lekker, Adrie?’

De oude man slikte nog eens. Hij keek op en wrong zijn gezicht tot meegaandheid. ‘Mensen, het is heerlijk!’

 

***

 

 

Afbeelding: Detail. Hengelaar bij een vervallen hut in een landschap, Jan van de Velde (II), naar Pieter de Molijn, naar Willem Pietersz. Buytewech, 1604 - 1641. https://www.rijksmuseum.nl/nl/zoeken/objecten?q=hut&p=7&ps=12&st=Objects&ii=3#/RP-P-OB-103.248,75

 

 

 © 2019 Paul Christiaan Smis