Geen verre vriend

Het glas viel om, maar het bleef heel. De rode port doorweekte de krant van gisteren. Vloekend schoot Annie overeind. Ze hield de krant hol zodat het plasje naar het midden stroomde. Voorzichtig balancerend stond ze op van de bank en wankelde naar de keuken. De wijn haalde de gootsteen niet. Halverwege bleek de drempel van de huiskamer te hoog.

‘Ik geloof dat ik wat te oud word voor hele flessen’, mompelde Annie terwijl ze vruchteloos pogingen deed zo gracieus mogelijk op te staan. Uiteindelijk lukt het haar om overeind te komen. Lichtjes zwaaiend op haar benen keek ze naar de muren rondom haar. Die leken over haar heen te welven en haar mee te sleuren in een draaikolk van kleuren en misselijkheid. Met haar handen de tollende wanden ondersteunend, liep Annie naar de grote spiegel in de gang. Door haar sokken heen voelde ze de koelte van de plavuizen; dat deed haar goed.

Bij de spiegel aangekomen, zette ze haar voeten stevig neer, een eindje uit elkaar want de muren leken nog steeds wankel. Ze rechtte haar rug, legde haar handen op de heupen en bekeek haar beschonken reflectie. ‘Te oud, te oud? Ik ben helemaal niet oud. Patrick, dié is oud.’ Ze draaide zich om en keek over haar schouder naar haar evenbeeld. ‘Kijk die billen, die staan nog fier naar achteren. Da’s toch een mooie kont?’ Ze gaf zichzelf een pets tegen haar billen en keek de spiegel dreigend aan. ‘Je mag het best beamen, hoor, je mag gewoon zeggen dat ik nog niet oud ben. Patrick, die wel, die was aan een motor toe.’

De gedachte aan haar echtgenoot verduisterde Annies opleving voor de spiegel. Ze liep weg uit haar pose, maar belandde niet in de keuken of in de huiskamer. Doelloos zwalkte ze een tijdje door het huis, met geblokkeerde keel en zware ogen. Voor de glazen balkondeur bleef ze staan. Het donker van de avond daarachter leverde een nieuw spiegelbeeld op, een nieuwe gesprekspartner. Annie haalde haar schouders op en hief moedeloos haar armen ‘Een motor, en daar viel hij vanaf, de sukkel.’ Alsof ze bijval had verwacht, bleef ze nog even naar het duister kijken. Toen schudde ze het hoofd en draaide zich om.

Ze vond haar weg terug naar de bank en liet zich in de kussens vallen. ‘Patrick’, huilde ze tegen het omgevallen glas. ‘Patrick, waarom?’ Er kwam geen antwoord; de nevel in haar hoofd had geen stem. Annie dook weg voor de drukkende stilte. Ze kroop naar achteren tegen de rugleuning en liet zich op haar zij zakken. Met de armen om haar opgetrokken knieën geslagen, bleef ze liggen. Er liep een straaltje vocht uit haar mond op de gebloemde stof van de bank. Nog een paar keer murmelde ze: ‘Waarom, waarom?’ Daarna verloste haar gesnurk de kamer van zijn stilte.

*

 Lieve Patrick,

Ik zit hier te typen met tranen in mijn ogen. Dat kun jij natuurlijk niet zien want je ligt al een half jaar in het verpleeghuis. Waarom heb je nou niet naar me geluisterd; zo’n motor dat is toch niks voor jou?

Iedere middag, als ik langskom, zie ik je daar liggen. Een stille romp met slappe armen en benen. Je kunt alleen nog maar je hoofd bewegen. Als je me aankijkt, weet ik niet eens of je me wel ziet.

En wat moet ik nou, Patrick, wat moet ik nou? Ik huil mezelf iedere avond in slaap. Overdag ben ik een dweil. Ik voel me te beroerd om te werken. Dat zal trouwens ook wel komen door de fles port die ik ’s avonds achterover sla. Ja, ik moet toch wat! Zonder jou naast me op de bank kom ik de avonden niet door.

Ik app over jou met de meiden van de zaak, maar ze kunnen me niet troosten. Verder dan: “kop op, meid” en “na regen komt zonneschijn” komen ze niet. Wij kapsters babbelen wat af, maar echt diep gaat het niet, hè.

Gelukkig – of, nou ja, gelukkig? – steunt Hans van de buren me volop. Hij komt, zo vaak hij kan, even langswippen om een arm om me heen te slaan en me even tegen zijn borst aan te drukken. Dat ‘langswippen’ moet je niet letterlijk nemen hoor, Patrick. Nou ja, Hans zou geloof ik wel willen – je weet hoe mannen zijn – maar ik maak met mijn houding wel duidelijk dat ik daar niet voor in ben.

Maar die houding van mij wankelt. Niet boos worden, Patrick. Ik voel me alleen en door de wereld verlaten. Hans geeft me aandacht en God weet hoe hard ik die nodig heb. En gisteren, gisteren vroeg Hans of ik zin had om mee te gaan naar het strand. Zijn vrouw is een week naar een workshop in Frankrijk, die weet van niks. Ik ben meegegaan, maar het voelde niet goed. Wat moet ik nou, Patrick?

Knuffels van je Annie.

*

‘Hans wil je mijn rug even insmeren? Ik kan wel bij mijn schouders, maar mijn armen zijn te kort voor midden op mijn rug.’

Hij had wat naar de zee zitten staren – zijn gedachten waren afgedwaald naar zijn echtgenote die een weekje in Lyon vertoefde – maar nu was hij weer helemaal bij de les. Hij nam de flacon met Nivea, spoot een kloddertje op Annie’s rug en grinnikte: ‘Je vindt het natuurlijk ook wel prettig als ik je insmeer.’

‘Haal je maar niks in je hoofd, buurman. Alleen smeren, meer niet.’

 ‘Oh, nou, ook goed.’

 ‘Voor iets anders moet je bij Carolien zijn. Nog drie dagen, dan is ze er weer.’

 Hans zette de Nivea neer en zuchtte: ‘Van mij mag ze nog wel een paar maanden wegblijven.’

‘Je weet niet wat je zegt, Hans. Je vrouw is misschien ongemakkelijk, maar geen Carolien lijkt me nog veel erger voor je. Neem mij nou: Patrick ligt in een verpleeghuis en ik heb geen idee of hij daar ooit nog uit komt. In je uppie zijn is alleen maar leuk als je houdt van uppies.’

Voorzichtig schoof hij een hand onder haar BH bandje. ‘Uppies? Dat kun jíj alleen maar verzinnen. Maar zo eenzaam zal ik niet zijn, hoor. Ik heb een heel leuke buurvrouw. Ik maak trouwens je bandje even los, anders kan ik er niet goed bij.’

Snel boog Annie haar bovenlichaam naar voren, zodat het contact met de plakkerige handen verloren ging. ‘Laat mijn BH bandje met rust, idioot. Je kunt er makkelijk onder, zo groot zijn die handen van jou niet.’ Ze draaide zich om en keek Hans aan. ‘Ik vind je heel aardig, buurman, maar ik ben niet vrij. Als Patrick ooit weer thuiskomt…’

‘Als’, viel hij haar in de rede. ‘Ja, als…’

Annie veegde een korreltje zand uit haar oog. ‘Hans, waarom zeg je dat nou?’

*

Lieve Hans,

Het gaat goed met mij, hier in Zürich. Hoe is het met jou en Carolien in Amsterdam?

Dit moet mijn laatste brief aan jou worden. Brieven, wat heb ik daar toch mee? Ik schrijf er mijn lastigste gevoelens mee van me af, dat zal het wel zijn. Aan Patrick heb ik destijds ook een hele bende brieven geschreven, toen hij in dat verpleeghuis lag. Niet dat hij ze ooit gelezen heeft; hij is nooit meer bij bewustzijn gekomen na het motorongeluk. Ze zijn allemaal mee verbrand toen hij gecremeerd werd.

Wat er toen tussen jou en mij gebeurd is, heeft een enorme impact op mij gehad. Iedere keer als ik Carolien tegenkwam in het trappenhuis, kromp ik van ellende. Ze was geen gemakkelijke vrouw voor jou, maar dit had ze niet verdiend. Geen idee had ze, en jij hield je mond. Toen je me uitnodigde op haar verjaardag en toen je tijdens dat feestje zo neutraal glimlachte boven je glaasje wijn, ging mijn ziel aan scherven. Man wat voelde ik me opgelaten! Ik geloof dat ik toen de knoop heb doorgehakt. Dit kon ik niet langer volhouden.

Me aanmelden bij de Jellinekkliniek was het beste dat ik in jaren voor mezelf heb gedaan. Het heeft een half jaar geduurd – een fles port per dag gaat niet zomaar uit je systeem – maar toen was ik ook helemaal clean. Ik stond weer open voor de wereld, ook voor dat baantje in een kapsalon in het buitenland.

Je vroeg me in je vorige brief wanneer ik weer terugkom. Ik kom niet terug, wen er maar aan. Voor een poldermeid verpesten die bergen hier het uitzicht wel een beetje, maar ik verdien goed mijn geld en de Zwitsers zijn aardige mensen. Misschien ontmoet ik hier ooit nog wel een nieuwe man. Misschien. Ooit.

In elk geval lijkt het me beter dat wij elkaar niet meer schrijven. Zwijgen tegen je geliefde is voor jou een kracht. Je zei al die tijd niets tegen Carolien, zwijg nu ook tegen mij.

Het gaat goed hier in Zürich, Hans, laat dat zo alsjeblieft.

Liefs en groetjes,

Annie

 

***

 

 

Afbeelding: Zilveren flessenlabel met Port, anoniem, 1800 – 1900. Rijksmuseum. http://hdl.handle.net/10934/RM0001.COLLECT.17493

 

© 2019 Paul Christiaan Smis